Waarom AI jouw merk over het hoofd ziet

Leestijd: 7 minuten

Stel je voor: je hebt jarenlang gewerkt aan de positionering van je merk. Dan blijkt dat AI je merk aan miljoenen mensen omschrijft als, oei, iets totaal anders.

Dat is precies wat drankenconcern Pernod Ricard overkwam. Het bedrijf ontdekte via onderzoek met bureau Jellyfish dat AI-modellen zijn merken regelmatig verkeerd classificeerden. Ballantine’s, een betaalbare Schotse whisky voor de brede markt, werd door een populair AI-model neergezet als een prestigeproduct. Andere merkinformatie was onvolledig of simpelweg onjuist.

Gen Z vraagt AI om merkaanbevelingen.

Ondertussen gebruikt een groeiend deel van de klanten AI bij aankoopbeslissingen. Uit YouGov-onderzoek blijkt dat twee derde van de 18- tot 24-jarigen AI-modellen inzet voor aanbevelingen rond merken, producten en diensten. Bij 25- tot 34-jarigen is dat ruim de helft. En ongeveer de helft van Gen Z verwacht dat AI hen naar het beste merk leidt.

Dus deze mensen skippen een zoektocht met Google en vragen ChatGPT simpelweg: “Welke whisky past bij mijn smaakprofiel?” Of: “Wat is een goede koptelefoon voor op reis?” En het antwoord dat ze krijgen, wordt bepaald door hoe AI jouw merk begrijpt. Niet door wat jij als marketeer graag wil vertellen.

Je merkverhaal wordt geschreven door derden.

AI-modellen baseren hun kennis over jouw merk op twee dingen: hun trainingsdata, alles wat ze eerder hebben gelezen, en de actuele bronnen die ze raadplegen. In beide gevallen zijn dat vooral bronnen van anderen, niet die van jou: reviews, nieuwsartikelen, vakpublicaties, Wikipedia, Reddit, webwinkels, enzovoort.

In aanvullend onderzoek werden AI-agents ingezet om producten te vergelijken en aan te bevelen. De conclusie was ontnuchterend: merkwebsites werden vooral gezien als plekken om te kopen, niet als gezaghebbende bron van informatie. De autoriteitssignalen kwamen van derden: recensiesites, specialistische media en fora.

Ofwel, je merkverhaal, je positionering, je concurrentievoordeel, het wordt geschreven door mensen die niet voor je werken. En vervolgens op schaal herhaald door AI-modellen.

Het probleem van ‘AI sameness’.

Het wordt nog interessanter. Terwijl merken grip proberen te krijgen op hoe AI hen omschrijft, laten veel daarvan tegelijkertijd hun eigen content ook door AI produceren. Dat leidt tot een ander probleem: alles gaat op elkaar lijken.

Want als allerlei aanbieders dezelfde AI-tools gebruiken om teksten, beelden en campagnes te maken, wordt hun inhoud inwisselbaar. Merken die daar op leunen besparen misschien geld, maar verdwijnen in een ‘Sea Of Sameness’.

Dat is een gevaarlijke combinatie. Aan de ene kant verliezen merken de controle over hoe AI hen beschrijft. Aan de andere kant produceren ze zelf steeds minder onderscheidende content. Het resultaat: ze worden inwisselbaar, zowel in de ogen van AI als van de klant.

Het lijkt op de dynamiek van performancemarketing, waar ik vaak aandacht aan besteed: als iedereen dezelfde data en dezelfde gereedschappen gebruikt om dezelfde doelgroepen te bereiken met dezelfde triggers, verdwijnt het concurrentievoordeel. Dan blijft alleen nog concurrentie op prijs over: nog meer korting, nog harder duwen. En dat is precies de valkuil waar Nike intrapte.

AI gaat ook de aankoop doen.

Maar, sorry, ik ben nog niet klaar. Want AI-modellen verschuiven stap voor stap van adviseur naar inkoper.

PwC beschrijft in Harvard Business Review hoe klanten steeds vaker een AI-agent niet alleen vragen om producten te zoeken en te vergelijken, maar ook om deze direct te kopen. Ze hebben geen zin om te scrollen op websites en geven liever een simpele opdracht: “Vind voor mij een handgemaakt cadeau onder de €50 dat morgen geleverd wordt.” Vaak is wel een voorwaarde dat ze hun geld terugkrijgen als de keuze van AI hen niet bevalt.

Dat betekent dat een AI-agent straks een deel van de beslissing neemt. En die agent kiest niet op basis van je mooiste campagne. Die kiest op basis van gestructureerde productdata, recensies, beschikbaarheid en prijs. Dus als je productinformatie niet goed leesbaar is voor machines, besta je simpelweg niet in het AI-aankoopproces.

McKinsey voorspelt zelfs dat AI-agents tegen 2030 wereldwijd voor 3 tot 5 biljoen dollar aan consumenteninkopen kunnen regelen. De populaire platforms bouwen dan ook hard aan dergelijke initiatieven. Google lanceerde begin 2026 het Universal Commerce Protocol, een oplossing die AI-assistenten en winkelsystemen makkelijker op elkaar laat aansluiten. Google beschrijft dit als een open standaard voor agentic commerce.

En OpenAI zette eind 2025 een volgende stap met Instant Checkout. In de eerste uitrol ging het om aankopen bij onder meer Etsy-verkopers in de VS, waarna “meer dan een miljoen” Shopify-verkopers naar verluidt gingen volgen.

Hoe kun je hierop inspelen?

De eerste stap is om te weten hoe AI jouw merk omschrijft. Vraag het aan ChatGPT, Claude, Gemini. Stel dezelfde vragen die je klanten stellen. De antwoorden kunnen verrassend zijn. En soms verontrustend. Plus, zoals ik vorige week schreef: de antwoorden zijn telkens weer anders.

De tweede stap is ervoor te zorgen dat je merk goed vertegenwoordigd is in bronnen die AI-modellen vertrouwen. Dat zijn dus niet je eigen advertenties. Dat zijn onafhankelijke media, recensiesites, vakpublicaties, Wikipedia en platforms als Reddit. Als marketeer weet je inmiddels dat mentale en fysieke beschikbaarheid de sleutel zijn voor groei. In het AI-tijdperk geldt iets soortgelijks: hoe vaker er betrouwbaar over je wordt geschreven, hoe groter de kans dat je terugkomt in AI-antwoorden. Ik noem het maar even geschreven beschikbaarheid.

Waarom mensen juist belangrijk blijven.

De derde stap, misschien wel de belangrijkste, is investeren in wat je merk onderscheidend maakt. Juist nu AI dreigt alles gelijk te trekken, worden eigenheid, originaliteit en merkkarakter waardevoller. Eigenheid is schaars in een wereld vol, bleh, AI-gegenereerde eenheidsworst. Want ook in het AI-tijdperk geldt: je merk moet opvallen om opgepikt te worden. Dat werkt via twee routes.

Route A: opvallende merken krijgen meer verdiende media. Er wordt meer over spraakmakers geschreven en gesproken en ze worden vaker opgezocht. En dat is precies het materiaal waar AI-modellen op leunen: hoe meer onafhankelijke bronnen je merk aandacht geven, hoe groter je zichtbaarheid in AI-antwoorden.

Route B: AI wordt weliswaar belangrijker, maar de mens blijft een sleutelrol spelen. Stel dat een AI een kort lijstje presenteert met drie opties voor een koptelefoon. Twee daarvan zijn onbekende merken, waar je niets mee hebt. Maar de derde is een merk dat vertrouwd aanvoelt, omdat je er al van hebt gehoord. Die derde maakt daarmee een grote kans om te winnen. Niet omdat de AI dat merk beter rangschikt, maar omdat het menselijk brein gevoelig is voor herkenning.

Dat oeroude mechanisme blijft aanwezig in ons brein en verandert niet door AI. Sterker, het kan juist zwaarder gaan meewegen als de drie opties slechts in een kort antwoord door een chatbot worden samengevat. Juist in een omgeving waar context ontbreekt, is het belang van herkenbare handvatten groter.

Verder leren AI-agents van de voorkeuren van hun gebruiker. Het geheugen van ChatGPT of Claude wordt immers steeds beter, waardoor ze jou steeds beter leren kennen. Stel, jij stelt regelmatig vragen over Apple, Adidas of Rituals: “Hoe los ik dit probleem met m’n Mac op?”, “Zijn deze Adidas-schoenen ook geschikt om op hard te lopen?”, “Hoe lang is dit product van Rituals houdbaar?” Dan ontstaat er een patroon dat AI oppikt. Dat kan invloed hebben op toekomstige aanbevelingen, omdat de agent zo goed mogelijk op jouw wensen probeert in te spelen.

Bovendien kun jij die voorkeur ook expliciet meegeven: “Zoek goede hardloopschoenen en check in ieder geval Hoka en ASICS.” Op dat moment krijgt AI een kader. En dat kader wordt gevormd door bekendheid en voorkeur, precies de dingen waar merkbouwen al decennia om draait.

Ofwel, de winnende strategie in het AI-tijdperk draait nu niet ineens alleen nog maar om het optimaliseren voor algoritmes. Investeren in de mens blijft belangrijk. Zodat jij het bekende gezicht bent in een lijst vol onbekende opties die met korte tekstjes worden geïntroduceerd.

Hoe AI bepaalt welke merken het aanbeveelt.

Maar hoe selecteren AI-modellen hun bronnen? En hoe zorg je dat je daar goed in naar voren komt?

Traditionele SEO draait om een plek in een lijst van tien blauwe links. Bij GEO (Generative Engine Optimization) draait het erom of je wordt geciteerd in het antwoord dat AI geeft. En dat antwoord verwijst vaak maar naar een handvol opties (tussen twee en zeven per antwoord, afhankelijk van de vraag en het systeem).

Het selectiemechanisme is ook anders. Google beloont onder meer verwijzingen en technische SEO. Bij generatieve systemen gaat het veel meer om iets dat je citeerwaardigheid kunt noemen: hoe makkelijk is jouw tekst te gebruiken als betrouwbare bouwsteen in een antwoord?

In de paper GEO: Generative Engine Optimization laten onderzoekers zien dat het toevoegen van citaten, relevante citaten en statistieken je zichtbaarheid in generatieve antwoorden flink kan verhogen. In hun metingen zagen ze effecten tot ongeveer 40%.

Andere interessante lessen rond geschreven beschikbaarheid:

Publiceer eigen onderzoek en data. Origineel onderzoek is een sterk signaal voor AI. Denk aan een eigen benchmark, een rapport met unieke data of een jaarlijks overzicht. Deze geven AI-systemen een reden om jou te citeren in plaats van een concurrent.

Zorg voor consistentie over alle platforms. AI-modellen vergelijken informatie uit meerdere bronnen. Als je merk op je website iets anders claimt dan op Trustpilot, in je persberichten of op Wikipedia, dan daalt het vertrouwen. Consistentie zorgt voor geloofwaardigheid.

Maak je content extracteerbaar. Generatieve systemen zoeken naar passages die ze direct als antwoord kunnen gebruiken. Dus: geef het antwoord vroeg in je content en wees concreet. Noem cijfers waarmee je claims kunt onderbouwen. Vermijd verkooptaal en schrijf alsof je een collega iets uitlegt.

Investeer in digitale PR. Verse vermeldingen in gezaghebbende bronnen helpen AI om je te vinden. Niet als een eenmalige actie, maar als een proces waarin je doorlopend investeert.

Zorg daarnaast dat je productdata gestructureerd, compleet en consistent is: informatie over productspecificaties, prijzen, voorraad, bezorging en retourbeleid. Want agents kunnen alleen dingen aanbevelen die ze kunnen begrijpen. Het gebeurt nu al dat producten door AI worden overgeslagen als informatie ontbreekt of niet eenduidig is (!).

Kortom: veel verandert, veel toch ook niet.

Lang verhaal kort: je merkpositionering wordt niet alleen bepaald door wat jij communiceert, maar door het totaalbeeld van alles wat er over je te vinden is. Als er te weinig onafhankelijke, consistente informatie over je merk wordt gevonden, kom je minder terug in de wereld van AI.

Tegelijkertijd geldt: als je een eigen geluid laat horen, is de kans groter dat anderen je oppikken. Een merk als Tony’s Chocolonely, met een duidelijke stem, wordt waarschijnlijk eerder aangehaald in media dan een merk als Verkade, dat een stuk minder uitgesproken profiel heeft. Daarmee is de kans dat Tony’s wordt opgepikt door AI weer groter dan bij Verkade.

En hoewel dit alles kan overweldigen, is veel ervan uiteindelijk ook weer niet zo nieuw. Merken draaien al decennia om onderbouwing, consistentie en relevantie. En wat anderen over je zeggen was altijd al belangrijker dan wat jij over jezelf beweerde. Zie de bekende quote: “Je merk is wat mensen over je zeggen als jij er niet bent.” Het grote verschil is dat je klant nu niet meer de enige doelgroep is. Er luistert ook een model mee.

Zoals ik eerder schreef: AI kan alleen excelleren als jij een goede regisseur bent. Die les geldt nu dubbel. Want je moet niet alleen regisseren wat AI voor je doet, je moet ook regisseren hoe AI over je praat.

De merken die hier het best op inspelen zijn niet alleen de merken met de slimste AI-gereedschappen. Het zijn ook de merken met de helderste strategie, de sterkste positionering en het meest consistente verhaal. Precies datgene waar merkbouwen al decennia om draait.

Wil je weten hoe AI jouw merk omschrijft en wat je eraan kunt doen? Laat het me weten. Ik help je graag.

“Odido moet zelf de bom laten ontploffen”

Leestijd: < 1 minuut


Cor Hospes interviewde me voor BusinessWise over de spagaat waarin Odido op dit moment zit.

‘Odido moet zelf de bom laten ontploffen’, vindt merkstrateeg Ingmar de Lange

Een hack, niet betaald losgeld en miljoenen gelekte klantgegevens. Voor Odido is het een nachtmerrie. Maar volgens merkstrateeg Ingmar de Lange is het ook een kans om te laten zien waar je als merk echt voor staat. Over denken als een judoka, de kracht van een pivot en het schoolvoorbeeld van crisiscommunicatie. ‘Rising to the occasion’.

Lees het artikel

 

Onderzoek: AI beveelt merken willekeurig aan

Leestijd: 4 minuten

Stel je voor: je vraagt ChatGPT om de beste koptelefoons aan te bevelen voor op reis. Je krijgt een keurig lijstje met vijf merken. Dan vraag je het opnieuw. En je krijgt een ander lijstje. Met andere merken. In een andere volgorde.

Dat is precies wat nieuw onderzoek suggereert. De onderzoekers lieten 600 vrijwilligers dezelfde vragen stellen aan drie AI-modellen: ChatGPT, Claude en Google AI. De vrijwilligers voerden in totaal bijna 3.000 prompts in, over uiteenlopende categorieën als keukenartikelen, sciencefiction, gezondheidszorg en mode.

De uitkomst? Willekeur.

Als je een AI-model 100 keer dezelfde vraag stelt, is bijna elk antwoord uniek. De lijst is anders. De volgorde is anders. En zelfs het aantal aanbevelingen varieert van twee tot meer dan tien. De kans dat de onderzoekers twee keer hetzelfde lijstje kregen bleek minder dan 1 op 100. En de kans dat twee lijstjes in dezelfde volgorde staan? Eerder 1 op 1.000.

Dat is geen fout, maar een eigenschap. AI-modellen zijn in essentie kansmachines. Ze zijn ontworpen om variatie te produceren, niet om een stabiele, geordende ranglijst te geven. AI-modellen als zoekmachines behandelen is dan ook een vergissing.

Wat ik bedoel: het nauwkeurig bijhouden van je ranking in AI-antwoorden heeft weinig zin. De onderzoekers noemen het een “fool’s errand”. En toch claimen allerlei AI-trackingtools dat ze dit kunnen. Er wordt naar schatting al meer dan $100 miljoen per jaar besteed aan dit soort diensten. De onderzoekers zijn dan ook duidelijk: stop met geld uitgeven aan partijen die pretenderen je precieze AI-ranking te meten.

Maar er is ook goed nieuws.

Hoewel de volgorde willekeurig is, is er wél consistentie in welke merken überhaupt verschijnen. Dit noemen de onderzoekers merkzichtbaarheid.

Neem het voorbeeld van koptelefoons. Na bijna 1.000 antwoorden bleken Bose, Sony, Sennheiser en Apple in 55 tot 77% van de gevallen op te duiken. De exacte positie verschilde weliswaar steeds, maar de zichtbaarheid was stabiel.

Gemiddeld genomen hadden de top drie merken een zichtbaarheid van 64% (ChatGPT), 73% (Claude) en 68% (Google AI). Dat is een betrouwbaar patroon.

Interessant daarbij: hoe smaller de categorie, hoe stabieler de resultaten. Bij een niche als “Volvo-dealers in Los Angeles” of SaaS-cloudaanbieders clusteren de antwoorden rond een paar bekende namen. Bij bredere categorieën als sciencefiction of designbureaus zijn de resultaten veel meer verspreid. Dus: hoe meer opties, hoe meer variatie.

Waarom is dit nu relevant?

AI-tools worden in rap tempo een serieus aankoopkanaal. Data van Adobe Analytics laten zien dat het verkeer naar Amerikaanse retailsites vanuit AI-tools tijdens de feestdagen van 2025 met bijna 700% steeg ten opzichte van het jaar daarvoor. En dit verkeer converteerde 31% beter dan verkeer uit traditionele kanalen, zoals e-mail en betaalde zoekadvertenties. Bezoekers die via AI binnenkwamen bleven langer op de site, bekeken meer pagina’s en hadden een lager bouncepercentage.

Hoe bepaalt AI welke merken verschijnen?

Hier wordt het extra interessant voor marketeers. AI-modellen baseren hun antwoorden op twee bronnen. Ten eerste op hun trainingsdata: alles wat het model heeft gelezen voordat het gelanceerd werd. Merken die vaak voorkomen in betrouwbare bronnen zoals nieuwssites, vakpublicaties en reviewplatforms hebben een sterkere positie in het geheugen van het model.

Ten tweede gebruiken veel modellen tegenwoordig ook actuele informatie (via zogenaamde RAG, Retrieval-Augmented Generation). Daarbij speelt de kwaliteit en vindbaarheid van je online content een belangrijke rol.

Wikipedia verdient hier speciale aandacht. Het is een veelgebruikte, gezaghebbende bron in de trainingsdata van vrijwel elk groot AI-model. Zo is het een van de meest geciteerde bronnen in ChatGPT. Dus als jouw merk goed aanwezig is op Wikipedia, vergroot dat de kans om door AI te worden aanbevolen.

De parallel met zoekaandeel.

Grappig genoeg sluit dit weer aan op wat ik eerder schreef over het zoekaandeel. Waar mensen naar zoeken en wat AI aanbeveelt, wordt beïnvloed door dezelfde onderliggende factor: de kracht van je merk. Hoe sterker je merk en hoe groter de aanwezigheid, hoe groter de kans dat het opduikt. In Google, in gesprekken en nu ook in AI-antwoorden.

En net als bij het zoekaandeel geldt: AI-zichtbaarheid is niet alleen een kwestie van slimme technische trucjes. De merken die het meeste opduiken zijn niet per se de merken met de beste prompt-strategie of de duurste AI-optimalisatietool. Het zijn vaak de merken waar consistent over geschreven, gesproken en gezocht wordt. In betrouwbare bronnen. Over langere tijd. Precies datgene waar merkbouwen voor zorgt.

Wees ook voorzichtig.

Een kanttekening is op z’n plaats. Het onderzoek van Fishkin is niet peer-reviewed en de onderzoekers geven zelf aan geen datawetenschappers te zijn. Bovendien is de steekproef (2.961 prompts) beperkt en bestrijkt het onderzoek slechts twee maanden. Of zichtbaarheidspercentages over langere periodes stabiel blijven, is nog onduidelijk. Maar de richting is helder en de conclusies sluiten aan bij wat we over merkstrategie weten.

Wat kun je ermee?

Kortom: meet je merkzichtbaarheid in AI-antwoorden (het zichtbaarheidspercentage), niet je positie. Investeer in merkbouwen. Zorg dat je merk opduikt in de bronnen die AI-modellen vertrouwen: onafhankelijke media, reviewsites, vakpublicaties en Wikipedia. En investeer in content die gestructureerd, betrouwbaar en consistent is.

Maar bovenal: laat je niet gek maken door AI-trackingtools die beloven je exacte rangpositie te meten. Dat is, zoals dit onderzoek laat zien, onzin. Wat wél zin heeft is investeren in de fundamenten van je merk. Want ook in het tijdperk van AI geldt: je merk is je belangrijkste marketinginstrument.

Benieuwd hoe jouw merkstrategie wordt beïnvloed door AI? Laat het me weten. Ik help je graag.

Whitepaper: de valkuil van datagedreven marketing

Leestijd: 15 minuten

Vorige week mocht ik een keynote geven op DDMA NEXT, een evenement over datagedreven marketing. Daar had ik een prikkelende boodschap: data is belangrijk voor merken. Maar data heeft een fikse valkuil, waar veel marketeers zich niet van bewust zijn. En dat heeft grote consequenties.

De harde les van Nike.

Het “rokende geweer” komt van Nike. Eerder schreef ik uitgebreid over deze case. Nike verloor $150 miljard aan beurswaarde door een schijnbaar logische keuze: laten we eens goed naar de ROI kijken van de dingen die we doen. Wat levert een activiteit Nike eigenlijk op? En welk effect is duidelijk terug te zien in data?

Natuurlijk is daar niets mis mee. Ik zou tijdens deze vergadering in ieder geval niet zijn opgestaan om m’n bezwaar in te dienen. Het is logisch om goed naar ROI te kijken en data spelen daarin een cruciale rol.

Maar wat er vervolgens in de praktijk gebeurt, daar houdt niet iedereen rekening mee. Ook Nike niet.

Makkelijke data en lastige data.

De kern van mijn betoog is dat de ene ROI beter terug te zien is in data dan de andere. Gedragseffecten op de korte termijn zijn makkelijk, goedkoop en snel in cijfers terug te zien.

Als voorbeeld: een korting laat direct een effect zien. Bied een schoen van Nike aan met 25% korting en je ziet gelijk gedragseffecten in je data: mensen klikken vaker op je uiting en blijven langer op je site hangen. Deze data zijn “makkelijk”.

Het langetermijneffect is lastiger terug te zien in data. Kortingen doen afbreuk aan je merk, dat is een harde wet. Maar die afbreuk zie je niet snel in je cijfers terug.

Dit komt omdat hier geen gedrag aan gekoppeld is. Stel: iemand ziet een korting van Nike en vindt Nike daardoor minder stoer / cool / hip. Diegene gaat daardoor minder snel naar de site of de winkel. Maar iemand die iets niet doet, creëert geen duidelijk dataspoor.

De afbreuk die plaatsvindt is er eentje in de onderbuik, de plek waar overtuigingen en vooroordelen zitten: Nike voelt wat minder premium door de korting. Maar wat er in de onderbuik van je klant gebeurt, kun je alleen terugzien in data als je onderzoek doet. En onderzoek kost tijd en geld, dus deze data zijn “moeilijk”.

Daardoor is het positieve effect van korting makkelijker te meten dan het negatieve langetermijneffect. Dus lijkt het succes groter dan het daadwerkelijk is.

Merken zijn traag, diffuus en cross‑mediaal.

Merken werken, onderzoek na onderzoek toont dit aan. Maar merkeffecten zijn traag, diffuus en cross‑mediaal. Daardoor is het effect lastig terug te zien in “makkelijke data”.

Koppel daaraan dat aandeelhouders de werking van merken vaak niet begrijpen en je snapt dat CEO’s geneigd zijn om budgetten voor merkbouwen ter discussie te stellen, zoals bij Nike. Dit heeft een enorm effect: groei en waarde lijden hieronder.

Allereerst omdat een merk een flink deel van de bedrijfswaarde vertegenwoordigt. Gemiddeld is 20% van de bedrijfswaarde merkwaarde. Bij bedrijven die zich richten op consumentenapparatuur of consumentendiensten is dat zelfs tussen de 35 en 45%!

Ter vergelijking, gemiddeld genomen is de waarde van alle fysieke objecten binnen het bedrijf, zoals apparatuur en inventaris, 26%. Maar iedereen binnen Nike zou begrijpen dat het onverstandig was om hiervoor niet goed te zorgen. Simpelweg omdat aandeelhouders en CEO’s wel een duidelijk beeld hebben bij de waarde van tastbare objecten en omdat er duidelijke data voor beschikbaar is.

Verder is de correlatie tussen merkkracht en marktaandeel groot: R2 = 0,94. In gewone mensentaal betekent dit dat de lineaire relatie zeer sterk is, zoals je in het plaatje hieronder ziet.

Makkelijk meetbaar ≠ hogere ROI.

Maar doordat het merkeffect in makkelijke data lastig aantoonbaar is, voeren marketeers regelmatig een lastige wedstrijd. Ze krijgen het verwijt dat het effect van hun werk niet duidelijk is en dat ze het niet goed onderbouwen met data. Hierdoor zijn zij geneigd kanalen op te zoeken die wel makkelijk data opleveren. Hun veronderstelling is dat ROI zo beter aantoonbaar is.

Maar er is geen correlatie tussen makkelijk aantoonbare data en daadwerkelijk ROI. Ofwel, marketeers denken kanalen op te zoeken met een duidelijk effect. Maar dit zijn vooral kanalen die makkelijk cijfers opleveren, ook al zeggen deze cijfers weinig over het daadwerkelijke effect.

Hieronder diverse voorbeelden hiervan. Ik wed dat daar valkuilen tussen zitten die jij vaak tegenkomt.

Kliks correleren niet met effect.

Ik heb er ten treuren over geschreven, bijvoorbeeld in mijn boek Sterk Digitaal Merk: kliks zijn makkelijk meetbaar. Maar de correlatie tussen een klik en effect, zowel op korte als op lange termijn, is nul (!). Nielsen zag al jaren geleden dat CTR geen samenhang vertoont met verkoop- of merkeffecten. Allerlei andere onderzoeken bevestigden dit en recentelijk toonde zelfs onderzoek van TikTok dit aan.

CTR draait meestal om een categorie-effect.

Veranderingen in je CTR zijn daarbij verleidelijk om te onderzoeken. Wat heb je gedaan om voor een positief resultaat te zorgen? Als je naar data rond je media-inzet van die periode kijkt, word je verleid om in de toekomst dezelfde keuzes te maken. Immers, als het één keer werkt, werkt het vast een tweede keer.

Maar in 70% van de gevallen hebben de veranderingen in je resultaat niets met jouw keuzes te maken. De oorzaak zit meestal op categorieniveau: het regent / er is iets in het nieuws geweest / de economie verandert / er is een nieuwe trend. Daardoor heeft ieder merk in jouw categorie ineens een hogere CTR.

Maar jij denkt dat dit aan jouw keuzes ligt. Daarmee optimaliseer je jouw toekomstige inzet op basis van data met de verkeerde inzichten.

ROAS geeft de verkeerde feedback.

Een ander voorbeeld van hoe makkelijke data je een verkeerd beeld kan geven draait om ROAS (Return on Ad Spend). ROAS bereken je door de opbrengsten uit een campagne te delen door de kosten van die campagne. Een ROAS van 3:1 betekent bijvoorbeeld dat elke geïnvesteerde euro €3 oplevert.

Dat klinkt logisch. En makkelijk. Maar ook deze KPI zorgt er vaak voor dat marketeers op de verkeerde wijze optimaliseren.

Graag leg ik een parallel met krachttraining. Stel: je doet push-ups. De eerste serie doe je er 10 (je “ROAS” is 10:1). Daarna doe je er 8 (je ROAS is 8:1), daarna 6 (je ROAS valt terug tot 6:1). Iedereen die sport, weet dat meer series beter zijn voor je conditie. Maar vanuit het oogpunt van ROAS is het beter na je eerste serie te stoppen, dan is je ROAS het hoogst.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat marketeers dan ook veel te snel stoppen met hun campagnes. Terwijl merken juist worden gebouwd met consistentie en langetermijninzet, net als bij sporten.

Campagnes richten zich op de verkeerde mensen.

Een andere manier om je ROAS te verbeteren is om te adverteren voor fruit dat al van de bomen valt. Wat ik bedoel: als ik “KPN”, “Odido” of “Vodafone” in Google typ, ben ik dus naar die partij op zoek. Ik ben fruit dat deze merken niet meer hoeven te plukken.

Maar meestal verschijnt er boven de zoekresultaten een Google Ad van het merk dat ik zoek. De kans is groot dat ik erop klik en de advertentie lijkt daarmee succesvol als je naar je data kijkt. Maar het geld is verspild. Zonder deze advertentie had ik op het organische zoekresultaat van het merk geklikt, dat niets had gekost.

Ofwel, hoe meer je je richt op
 klanten die toch al van plan waren voor jou te kiezen, 
hoe hoger je ROAS lijkt. Maar data geven je dan het verkeerde beeld.

Effecten worden overschat en onderschat.

Een ander voorbeeld ligt in de lijn van wat ik eerder schreef: wanneer een medium makkelijk data oplevert, lijkt het ook effectiever te zijn. Maar dat is onterecht.

Kijk naar deze grafiek: de laatste klik claimt bij zoekopdrachten een effect dat bijna twee keer zo groot is (190%) dan daadwerkelijk het geval is. Maar het rapporteert een veel te laag effect van reclame op televisie (-90%).

De verklaring is eenvoudig: bij zoekopdrachten is er een duidelijke link te leggen tussen de uiting en het gedrag: hoeveel uitingen waren er en hoe vaak is erop geklikt?

Bij televisie is dit lastiger te meten. Wederom omdat TV vooral een effect heeft op de onderbuik van je doelgroep. En wat er in de onderbuik van je doelgroep gebeurt, zie je niet direct in je dashboard terug.

Plus: als iemand na het zien van een TV-reclame een week later naar je site gaat, is het lastig om 1-op-1 te zien dat dit komt door je uiting. Daardoor lijkt het of de uitingen aan de linkerkant van de grafiek een veel lager effect hebben dan daadwerkelijk het geval is.

A-B-testen zijn niet eerlijk.

Datagedreven marketeers doen graag aan A-B-testen. Maar ook hieraan zit een fikse keerzijde.

Stel je wilt weten of een rode appel beter scoort dan een paarse appel. Dus je doet twee representatieve steekproeven. De ene groep krijgt een rode appel te zien, de andere een paarse. Welke scoort beter?

In de praktijk vergeten de meeste marketeers dat algoritmes de uitingen niet zo willekeurig tonen als bij een normale steekproef. Ook al is er maar weinig animo voor paarse appels: het algoritme gaat toch op zoek naar mensen die hier bovengemiddeld op reageren.

Daarmee krijgt het onderzoek een vertekend beeld, zoals je ziet in de afbeelding hieronder. Na een steekproef van twee keer vier mensen lijken er vier mensen te zijn die van rode appels houden en vier mensen die voor paarse appels gaan. Beide appels lijken even succesvol.

Maar bij de eerste steekproef vertegenwoordigen de vier mensen een totaal van 124 fans van rode appels. De andere vier zijn door het algoritme specifiek gekozen, ze vormen een niche van zeldzame mensen met een voorkeur voor paarse appels.

De valkuil van databrokers.

Zo kun je dus vraagtekens stellen bij de aanname dat meer data betekent dat je meer weet. Neem databrokers. Merken kopen voor veel geld externe data in. Ze hopen daarmee rijkere klantprofielen op te bouwen, waarmee hun marketing effectiever wordt.

Maar ik heb al enkele keren geschreven over Nico Neumann. Hij analyseerde de kwaliteit van data die bekende dataverkopers aanbieden. Zijn conclusie was onthutsend: deze data sloegen in veel van de gevallen nergens op.

Neem een simpele vraag: welk geslacht heeft iemand uit de doelgroep? De data van toonaangevende datahandelaren klopten gemiddeld in 42% van de gevallen. Dat is slechter dan blind gokken of iemand man of vrouw is, dat heb je gemiddeld in 50% van de gevallen juist.

Neumann noemt dit “spray and pray”. Het maakte niet uit welke databrokers Neumann gebruikte. De data kostten veel geld, maar de resultaten waren treurig.

De groeiende verspilling van programmatic.

Als laatste voorbeeld: het lijkt slim om data en AI te gebruiken om je online uitingen en mediaplaatsingen te optimaliseren. Maar de verspilling van programmatic was $26,8 miljard (!) in 2024, een stijging van 34% (!) ten opzichte van het eerdere ANA-onderzoek uit 2023. De oorzaak? Inefficiëntie, verkeerde metingen en fraude.

Het verschil tussen kopers en slapers.

Hoe kan je hiermee omgaan? Wel, als je slimmer met data wilt omgaan, is het goed om te weten dat er twee soorten doelgroepen zijn: kopers en slapers.

Kopers zijn mensen die nu een aankoop van jouw merk overwegen. Ze browsen, klikken, zoeken en vertonen dus duidelijk gedrag. Gedrag dat direct data oplevert.

Slapers zijn mensen die nu geen aankoop overwegen. Ze zoeken je merk niet op en onderzoeken niet welke alternatieven het beste zijn. Ze vertonen dus geen gedrag dat makkelijk meetbaar is. Het effect dat je marketing nu heeft is dus lastiger meetbaar.

Maar dat betekent niet dat er niets gebeurt bij deze slapers. Hoe vaker ze je merk tegenkomen, hoe vertrouwder dit zal voelen. En hoe groter de kans is dat ze jouw merk kiezen, als ze op een later moment wel zoeken naar een product in jouw categorie.

Ofwel, slapers zijn niets anders dan potentiële kopers, die over een week, maand of jaar een aankoop overwegen. Goede marketeers investeren tot die tijd in de onderbuik. Zodat als deze mensen op de markt komen, hun merk een voordeel heeft ten opzichte van de concurrentie.

De kleine en grote doelgroep.

Nu hoor ik je van de andere kant van het scherm denken: waarom zou je je op die lastige slapers richten, als je je ook op mensen kunt richten die nu bezig zijn met een aankoop?

Wel, omdat het groepje kopers klein is. Gemiddeld genomen is maar tussen de 2% (voor een B2B-merk) en 20% (voor dagelijkse boodschappen) “in de markt” voor een aankoop.

De rest van de mensen heeft al een product in bezit of er nog geen behoefte aan. Bijvoorbeeld omdat ze al een zakelijk adviseur hebben ingehuurd of net boodschappen hebben gedaan.

Dus als je je richt op makkelijke data bereik je maar een klein deel van je doelgroep. De rest laat je links liggen. Deze mensen horen niets van je en leren je dus niet kennen.

Als zij vroeg of laat een keertje op de markt komen, hebben ze dus geen voorkeur voor jou. En het is bijzonder lastig zo’n voorkeur op te bouwen in de korte tijd dat ze op zoek zijn naar een aanbieder. Want jij bent niet de enige die hen ineens benadert. Je concurrenten krijgen dezelfde data op hun dashboard en gaan deze potentiële klant ook aanspreken.

Dit was precies wat er met Nike gebeurde. Nike richtte zich vooral op de kleine groep die nu in de markt was voor sportartikelen. Maar die mensen waren Nike voor die tijd amper tegengekomen, omdat ze toen nog slapers waren. Ze hadden dus geen sterke voorkeur voor de producten van Nike.

De makkelijkste oplossing is dan om korting te geven. Immers, als alle merken en producten op elkaar lijken krijgt de goedkoopste de voorkeur. Dat is precies wat Nike ging doen: korting, korting en nog meer korting.

Inderdaad, lang vs kort.

Als trouwe lezer van mijn epistels herken je hierin vast het verschil tussen verkoopactivatie / performance-marketing en merkbouwen. Beide zijn belangrijk en voor beide zijn de effecten goed te zien in data.

Maar data voor performancemarketing is vele malen makkelijker en sneller beschikbaar dan voor merkbouwen. Daarmee lijkt het of performancemarketing een stuk beter werkt (vandaar de naam “performance”), maar dat is niet zo.

Dit effect zag ik ooit mooi uitgelegd worden door Joris Merks-Benjaminsen:

“Impact op de lange termijn is altijd moeilijker te meten dan op de korte termijn. Impact over kanalen heen is altijd moeilijker te meten dan binnen een kanaal. En impact voorspellen van iets wat je nog nooit gedaan hebt is altijd moeilijker dan optimaliseren van dingen die je al jaren doet.”

Merkbouwen draait om effecten op langere termijn, gebouwd door allerlei kanalen, waarbij je regelmatig op nieuwe ontwikkelingen moet inspelen. Deze effecten zijn dus per definitie lastiger te meten. Maar ze zijn wel belangrijk.

Data maakt je horizon vaak te kort.

Daardoor blijkt telkens weer, uit allerlei onderzoeken, dat de horizon van marketeers te kort is. Juist omdat ze zich te veel richten op de makkelijk verkrijgbare kortetermijndata.

Zo blijkt uit een Engels onderzoek dat 58% van de totale winst die een campagne genereert pas plaatsvindt na de eerste 13 weken. Een pond die je in Engeland in een campagne stopt levert op de korte termijn £1,87 op. Maar na 24 maanden wordt de opbrengst maar liefst £4,11 per geïnvesteerde pond (220% hoger). Door te vroeg te stoppen loop je dus een groot deel van je ROI mis!

In een ander praktijkonderzoek wordt dit het “performanceprobleem” genoemd. Performancemarketing en merkbouwen zijn beide belangrijk en moeten beide worden gebruikt. Maar als een merk overstapt van een gemengde benadering naar een strategie met alleen performancemarketing kost dat gemiddeld genomen 40% aan mediane ROI!

Ofwel, marketeers denken dat ze effectiever bezig zijn, omdat een geïsoleerd deel van hun data dit aantoont. Maar overall breken ze hun effect juist af. Ze vergeten naar de langetermijneffecten te kijken, omdat deze data minder makkelijk voorhanden zijn.

Data bieden schijnzekerheid.

Maar de schuld ligt eigenlijk niet zozeer bij de data. Het gaat er vooral om de wijze waarop wij met data omgaan. We kiezen te veel voor gemaksdata.

Daardoor laten we ons gek maken door “valse precisie”. Dit treedt op wanneer cijfers een grotere precisie impliceren dan gerechtvaardigd is. Een dashboard dat een score van 75,232% geeft, lijkt betrouwbaar. Maar de berekening kan op drijfzand berusten.

Of het “wat je ziet, is alles dat er is…”-effect. Dit ken je vast uit het boek van Daniel Kahneman, Thinking, Fast and Slow. Ook bij data geldt dat een consistent plaatje overtuigender werkt dan een compleet plaatje. Dus als je maar een deel van de werkelijkheid in je data ziet, valt het niet op dat je een boel mist als je een consistente lijn in die cijfers ziet.

Een gedeeld begrip van data is lastig.

Tel al het bovenstaande op en het verbaast je niet dat dertig procent van de 
Chief Data and Analytics Officers 
een onvermogen ervaart om de impact van data op bedrijfsresultaten te meten.

Grappig genoeg geven de experts elkaar daarvan de schuld. 42% van de datawetenschappers zegt dat marketeers data niet begrijpen. 39% van de marketeers vindt dat datawetenschappers marketing niet snappen. En van de totale groep heeft 40% moeite om een gedeeld begrip van data te krijgen.

Waar ligt de oplossing?

De boodschap van mijn verhaal is daarmee eenvoudig: data zijn belangrijk, maar zorg wel dat je slim met data omgaat.

Data lezen en er vervolgens op reageren, betekent meestal dat je achter de feiten aanloopt. Je ziet iets dat al is gebeurd. En er is zoveel data dat zodra je op één ding reageert, er iets anders voor in de plaats verschijnt. Zeker omdat verschillende soorten data niet altijd in
 dezelfde optimale richting wijzen.

De oplossing: richt je op het grotere geheel. Stel eerst een strategie op en gebruik data vooral om te controleren of je plan werkt. Minder KPI’s is beter. Definieer deze KPI’s vooraf en kom niet in de verleiding om ze tijdens de campagne aan te passen.

Bijvoorbeeld, je hypothese is deze volgordelijkheid: meer zichtbaarheid > hogere merkvoorkeur > groter merkaandeel.

In de basis heb je maar weinig KPI’s nodig om deze hypothese te valideren. Zo houd je goed het overzicht. En je kunt je data gericht inzetten om de juistheid van elke aanname te verifiëren. Zo zie je sneller waar het fundamentele probleem zit en loop je niet achter de zaken aan. Je voorkomt dus dat je bij elk nieuw datapunt je strategie opnieuw gaat evalueren.

Gebruik data voor de hele funnel.

Kijk hierbij zowel naar data voor de korte als lange termijn. Merk- en performance-KPI’s moeten gelden voor elk team, want iedereen moet bijdragen aan hetzelfde einddoel. Voer dus geen losstaande campagnes, maar zorg dat alles bij elkaar optelt en er samenwerking over de hele funnel is. Je merkstrategie moet worden omarmd door alle teams.

Let op: hiermee bedoel ik niet dat elke uiting moet scoren op zowel merk als performance-KPI’s. Een merkuiting moet zich focussen op bekendheid, voorkeur, et cetera, een performance-uiting op conversie.

Maar uiteindelijk moeten de merkcampagnes het effect van de performance-uitingen verstevigen. Immers, een aanbieding van een sterk merk converteert beter dan een aanbieding van een zwak merk.

En een agressieve verkoopactivatie kan weliswaar goed converteren. Maar deze heeft uiteindelijk weinig zin als deze afbreuk doet aan je imago. Ofwel, belangrijk is dat beide teams elkaar helpen en daarom moeten ze allebei rekening houden met KPI’s op de lange en korte termijn.

Het goede nieuws is dat voor elke fase en voor elke actie data beschikbaar zijn. Maar er zijn vaak specifieke methodieken nodig om deze te achterhalen. In dit plaatje zie je een aantal opties.

Er is ook makkelijke merkdata.

Nu gebruik ik in dit artikel een simpel onderscheid: makkelijke en moeilijke data. Dit werkt goed om mijn boodschap duidelijk te maken. Maar een nuancering is op z’n plaats.

Er zijn natuurlijk voorbeelden waarbij het merkeffect vrij makkelijk in data zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld als je een campagne doet in een bepaalde regio / doelgroep / markt en deze een tijdje volhoudt. In een soortgelijke regio / doelgroep / markt doe je geen campagne. Na verloop van tijd zie je effecten in de eerste markt: je merk wordt vaker opgezocht in zoekmachines, je performancecampagnes worden effectiever, je winkelbezoek gaat omhoog, je marktaandeel stijgt, et cetera.

Een ander voorbeeld van makkelijke merkdata is het zoekaandeel (Share of Search). Eerder schreef ik dat Adidas hier succesvol mee is.

De gedachte is eenvoudig: dat waar mensen online naar zoeken, geeft een goede indicatie van wat hun gedrag gaat zijn, nu of straks. En hetgeen waar mensen naar zoeken wordt onder meer beïnvloed door de kracht van het merk. Een bekend merk wordt eerder opgezocht, bijvoorbeeld omdat mensen er eerder aan denken. Zo kreeg Adidas bevestigd dat het zoekaandeel een sterke voorspeller van succes is. De metric correleert sterk met de verkoop en het marktaandeel.

Verder kun je er gemiddeld vanuit gaan dat het een half jaar duurt voordat merkeffecten duidelijk terug zijn te zien in je verkoop, marges of marktaandeel. Dit betekent niet dat je eerder niets ziet. Ook op korte termijn zie je al effecten van een merkcampagne. Je websitebezoek of app-openingen gaan bijvoorbeeld omhoog, zonder dat er extra performancebudget hoeft te worden besteed. En natuurlijk zijn er “zachte effecten”: je krijgt meer sollicitanten van veelbelovende kandidaten of er wordt online meer over je gesproken.

Data en merken kunnen prima samenwerken.

Terug naar de inleiding van dit artikel: het is prima mogelijk dat de CMO tegen de CEO zegt dat als de merkwaarde X% stijgt, de omzet Y% stijgt en de prijskracht Z%. Waarmee merkbouwen uit z’n mystieke blackbox komt. Als data maar op de juiste wijze verzameld en gebruikt worden.

Ook Nike heeft dat inmiddels gezien.

Kortom.

Pas dus op voor het paradigma uit Silicon Valley dat stelt dat alles direct meetbaar en direct te beïnvloeden is. Data zijn belangrijk voor merken en merkeffecten zijn prima in data uit te drukken. En natuurlijk is het goed om naar ROI te kijken.

Als je je maar bewust bent dat je data bijzonder eenzijdig kunnen zijn en je zo een bijzonder geïsoleerd beeld van de werkelijkheid kunnen geven.

Makkelijke data duiken snel op in je dashboard. Deze cijfers zijn meestal gebaseerd op gedrag: zoveel mensen klikten hierop, ze bleven zo lang op deze pagina hangen, et cetera.

Moeilijke data krijg je pas als je onderzoek doet of je marktaandeel over een langere periode volgt. Deze data draaien om de overtuigingen, vooroordelen en kennis die mensen hebben en hoe hun gedrag daar stapsgewijs door verandert. Bijvoorbeeld: uit onderzoek blijkt dat onze bekendheid weliswaar omhoog gaat, maar onze merkvoorkeur daalt, omdat mensen vooral kortingen van ons tegenkomen.

Meten is dus niet altijd weten. Kijk dus goed welke data je gebruikt en hoe relevant deze is. Onthoud dat data die makkelijk beschikbaar zijn, niet per se de juiste ROI weergeven: makkelijk meetbare kanalen zijn vaak niet de meest effectieve kanalen. Laat je dus niet gek maken door verkeerde KPI’s, zoals kliks, ROAS of misleidende A-B-testen.

Creëer een eenvoudig, overkoepelend perspectief op de werking van je marketing. Gebruik data om te zien of dit perspectief klopt. Begrijp hierbij goed het verschil tussen snel en structureel en breng performancemarketing en merkbouwen goed met elkaar in balans. Dan komt het helemaal goed met je ROI! Veel succes daarmee.

Wil je hier meer over weten of over sparren? Laat het me weten. Ik help je graag!