Whitepaper: AI is niet het eind van consultancy

Leestijd: 10 minuten

Onlangs werd ik door een onderzoeker geïnterviewd over een interessante vraag: wat betekent AI voor de toekomst van consultancy? Ik werk als zelfstandig merkstrateeg en ben dus zo’n consultant. Lang verhaal kort: heb ik straks nog brood op de plank? Of nemen “Our Friends Electric” mijn werk over?

Bij het lezen van deze vraag glimlach je misschien meewarig. Claude, ChatGPT en NotebookLM doen in een paar tellen hetzelfde waar een toonaangevend adviesbureau een ton voor vraagt, toch? De bekende investeerder Marc Andreessen gaf onlangs aan dat voor elk onderwerp AI hem nu betere antwoorden geeft dan de befaamde experts die hij kan bellen. Ook Travis Kalanick, de oprichter van Uber, ziet donkere wolken aan de horizon voor consultants.

Dus deze vraag lijkt verdraaid veel op de vraag of de fax nog toekomst heeft. Of hoe lang de zeppelin nog concurreert met de Airbus A380.

Consultants staan onder druk.

Het ronkt dan ook al een tijdje in de consultancywereld. Een oud-topman van McKinsey stelt dat AI de toegang tot analyse en advies heeft gedemocratiseerd. Beide zijn nu voor iedereen beschikbaar, net zoals het internet eerder de toegang tot informatie vrijspeelde. Ofwel, het hek om The Big Four zakt in door AI. Bekende adviesbureaus snijden dan ook in hun personeelsbestand. Voorbeelden komen van Accenture, McKinsey, KPMG of PwC.

Het lijkt erop dat jongeren hier extra mee te maken krijgen. Vorig jaar waarschuwde Dario Amodei van Anthropic dat de helft van de jonge witteboordenbanen op losse schroeven kan komen te staan. Hij vreesde een werkloosheid van 20%.

Harvard Business Review ziet hier al tekenen van bij de consultants. Werk dat door juniors werd gedaan, zoals onderzoek, modelleren, benchmarks en slides maken, wordt met AI geautomatiseerd. Daarmee komt het klassieke piramidemodel onder druk te staan: minder juniors onderaan, meer nadruk op ervaren mensen die het probleem benoemen, de output beoordelen en klanten meenemen in de besluitvorming.

Dit effect is uiteraard vooral zichtbaar bij beroepen die bovengemiddeld aan AI worden blootgesteld. Gerenommeerd onderzoeker Erik Brynjolfsson en collega’s ontdekten vorig jaar dat de werkgelegenheid van jongere werknemers daar 16% lager ligt dan in minder blootgestelde velden.

Volgens The Economist is dit effect dan ook extra te zien onder computerspecialisten. De werkgelegenheid onder afgestudeerde programmeurs zakte in de VS in drie jaar van 70% naar 55%. Vacatures op het studentenplatform Handshake liggen 50% onder hun piek van 2022.

Dit alles is terug te zien bij de aanmeldingen van nieuwe studenten, zo staat in hetzelfde artikel. De instroom in computerwetenschappen daalde 11% in 2025, bij opleidingen gericht op programmeren was dit zelfs 26%.

Toch is er meer aan de hand.

Maar zoals vaker: dat wat logisch lijkt, hoeft niet altijd 100% waar te zijn.

Zo lijken er bedrijven te zijn die AI onterecht als boosdoener neerzetten. Ze wijten ontslagrondes aan de opkomst van kunstmatige intelligentie, terwijl er meer speelt.

Er zijn naweeën van COVID, waardoor bijvoorbeeld Big Tech met een overschot aan personeel worstelt, denkt diezelfde Marc Andreessen. OpenAI’s Sam Altman waarschuwt dan ook voor “AI-washing“: AI de schuld geven van problemen die compleet andere oorzaken hebben.

Onderzoek van MIT Sloan nuanceert daarbij het idee dat AI menselijke arbeid massaal vervangt. AI is meestal een aanvulling, bijvoorbeeld omdat volledige automatisering niet zo aantrekkelijk is. AI verandert de taakverdeling, maar niet de complete functie.

Twee economen bij Google trekken de stelling in twijfel dat met name jonge werknemers door AI worden verdrongen. Ze ontdekten dat het aantal vacatures in “AI-gevoelige beroepen” net zo sterk is gedaald voor oudere werknemers. En, hoe opvallend, dat deze trend al bestond vóór de lancering van ChatGPT, eind 2022. Ze zien het rentebeleid van de Fed als een logischere oorzaak.

En volgens het adviesbureau Challenger, Gray & Christmas waren van de 1,1 miljoen ontslagen die in 2025 in de VS vielen, ongeveer 55.000 direct toe te schrijven aan AI. Dat is 5%. Dit artikel stelt dat duizenden CEO’s terugkoppelen dat AI op organisatieniveau bij hen geen meetbare impact heeft gehad (wat doet denken aan Solow’s productiviteitsparadox uit de jaren ’80: “Je ziet het computertijdperk overal, behalve in de statistieken over productiviteit”).

Op macroniveau is het beeld daarmee voorlopig gemengd: er zijn tekenen van substitutie, maar ook van aanvulling en nieuw werk. Bijvoorbeeld omdat AI nieuwe functies oplevert of bestaande functies ondersteunt en daardoor effectiever maakt. Daardoor is de grote klap nog niet duidelijk zichtbaar in arbeidsmarktdata, zo blijkt uit analyses van Yale Budget Lab, Brookings en Goldman Sachs.

De bedreiging én het verdienmodel.

Daarbij is AI niet alleen een bedreiging voor consultancy, het biedt ook kansen. BCG haalde in 2024 zo’n 20% van de omzet uit AI-advies (twee jaar daarvoor was dit nog nul). Accenture heeft inmiddels 85.000 AI-professionals aan boord.

Want slechts een kleine groep van hun potentiële klanten heeft AI echt verweven in de organisatie. Deze koplopers behalen vijf keer meer omzetgroei en drie keer meer kostenreductie dan de achterblijvers. Bij volgers blijkt het opschalen van pilots naar structurele impact lastig. Vooral het topmanagement heeft moeite om snel genoeg te veranderen. Daardoor creëert AI ook weer een nieuwe vraag naar consultancy, waardoor het inkomen van de adviesbureaus juist stijgt.

Ofwel, door AI snijden adviesbureaus in hun personeelsbestand, maar ze verdienen tegelijkertijd fiks geld aan de technologie die hen zou kunnen vervangen. De impact doet dus denken aan Dr. Jekyll en Mr. Hyde.

De rafelige rand van AI.

Onderzoekers gaven in 2023 758 consultants van BCG 18 taken voor een fictieve klant. De helft kreeg GPT-4, de andere helft niet. Met AI rondden de consultants 12% meer taken af en deden ze er 25% korter over. Het democratische effect van AI was hierbij goed zichtbaar: de zwakste adviseurs maakten de grootste sprong.

Maar er kwam een fenomeen naar boven waar je zelf vast tegenaan bent gelopen: de grens tussen wat AI wel en niet goed kan. Deze is niet recht, maar gekarteld en grillig. AI kan enerzijds complexe analyse uitstekend uitvoeren, maar struikelt ineens over een simpele rekensom.

Een experiment in de publieke sector bevestigt dat AI geen uniforme productiviteitsmachine is. Bij documententaken verbeterde AI de kwaliteit met 17% en ging het werk 34% sneller. Maar bij datataken daalde de kwaliteit juist met 12% en was er geen tijdwinst.

Op taken die buiten de comfortzone van ChatGPT lagen, scoorden de consultants van het bovenstaande experiment dan ook 19% slechter met AI. Ze vertrouwden te makkelijk op adviezen die weliswaar plausibel klonken, maar nergens op sloegen.

AI maakt experts dommer.

Deze conclusie staat niet op zich. Allerlei onderzoeken bevestigen dat slimme computers hun gebruikers juist “dommer” kunnen maken.

Microsoft en Carnegie Mellon University deden samen een studie onder 319 medewerkers met witte boorden. Daaruit bleek dat hoe meer iemand AI vertrouwde, hoe minder kritisch de uitkomst werd bekeken.

Ook de SBS Swiss Business School ontdekte bij een onderzoek onder 666 deelnemers een negatieve correlatie tussen AI-gebruik en kritisch nadenken. Dit effect was het sterkst onder jongeren.

Het MIT Media Lab ging een stap verder en deed onder 72 deelnemers EEG-metingen bij gebruik van AI. Studenten die essays schreven met ChatGPT vertoonden de zwakste neurale connectiviteit. 78% kon achteraf geen passage uit de eigen tekst citeren.

De onderzoekers noemen dit “cognitive debt”. Ze waarschuwen dat AI denkspieren laat verslappen, omdat ze minder worden geoefend (zie mijn recente artikel over “Fatbike AI”: AI verleidt tot mentale luiheid). Dit beeld is ook te zien bij recruiters: wie goede AI ter beschikking heeft, wordt makkelijk lui en slechter in z’n eigen oordeel.

Wie stelt de juiste vraag, wie cureert het antwoord?

Tot zover de cijfers, nu mijn persoonlijke visie. Interessant vind ik dat de bovenstaande onderzoeken uitgaan van mensen die verstand van zaken hebben: ze weten waarover ze het hebben, maar gaan door AI minder nadenken.

De consultancy versus AI-vraag draait echter om een andere groep: mensen die niet genoeg verstand van zaken hebben over een bepaald onderwerp en daarom hulp van deskundigen vragen.

Mijn vraag is of AI dit gebrek aan expertise echt opvangt. Immers, ook in het tijdperk van AI lijkt te gelden dat slechte input resulteert in slechte output (zie hier mijn betoog in dit kader). Een AI-antwoord is meestal niet beter dan de kwaliteit van de vraag die je stelt. Dat zie ik ook terug in deze en deze onderzoeken, die keken naar de kwaliteit van prompts en de kwaliteit van het resultaat.

Stel, je wilt je merk succesvol maken. Dan is het de vraag of je met de prompt “Hoe maak ik mijn merk succesvol?” het juiste advies krijgt. Bijvoorbeeld omdat deze vraag uit allerlei onderliggende vragen bestaat (bijvoorbeeld: waar zitten de uitdagingen van jouw merk precies?).

Net zoals een vraag als “Hoe kan ik gebruikmaken van influencer-marketing?” waarschijnlijk voorbijgaat aan de vraag of een influencer jouw merkprobleem wel kan oplossen. Wie geen vakmatig kader heeft, kan de output waarschijnlijk niet goed beoordelen.

Ook de nieuwste modellen hallucineren nog flink.

Zelf liep ik hier recentelijk tegenaan. Ik vroeg vorige maand aan Claude Opus 4.7 (een model waar ik flink van onder de indruk was) om te helpen bij deze vraag: “Hoe lang duurt het gemiddeld om een merk te bouwen? Hoe verschilt dit tussen B2C en B2B? En welke fasering is hierin te zien?” Binnen enkele tellen kwam Claude met een overtuigende analyse, compleet met de wetenschappelijke bronnen waarnaar ik had gevraagd. Mijn werk leek klaar.

Maar hoe meer ik naar de onderbouwing ging kijken, hoe meer ik de behoefte kreeg om aanvullende vragen te stellen. En hoe meer Claude toegaf dingen te hebben verzonnen of veel te snel conclusies te hebben getrokken. Uiteindelijk bleef er weinig van de analyse overeind. Ofwel, zelfs een van de meest geavanceerde modellen op dat moment hallucineerde er nog vrolijk op los. Maar het presenteerde de resultaten vol zelfverzekerdheid.

Nu is dat in dit geval best te begrijpen: de vraag over de tijdsduur van merkbouwen is een lastige, want er is moeilijk een overkoepelend antwoord op te geven. Er spelen allerlei factoren, met doorkruisende verbanden, waarbij de ene situatie meestal niet direct met de andere te vergelijken is. De vraag zit dus aan de oncomfortabele kant van de kartelrand. Maar een marketeer met weinig ervaring kan zomaar z’n budget verdelen op basis van zo’n onjuist advies.

Het hallucineren door AI is niet alleen anekdotisch van aard. Dit komt ook terug in een rapport van Stanford van dit jaar: het “hallucinatiegehalte” bij 26 topmodellen loopt uiteen van 22% tot maar liefst 94% (!), afhankelijk van de taak en meetmethode. Nature schrijft dat tienduizenden publicaties uit 2025 mogelijk ongeldige, door AI verzonnen referenties bevatten.

Forrester verwacht dan ook dat zakelijke klanten bij aankoopadvies van AI eerder terugvallen op menselijke experts. Ze voelen een toenemende behoefte om analyses van AI tegen het licht te houden (hier schreef ik daar eerder over).

Het verschil tussen terugkerend en eenmalig werk.

Dan is er ook de vraag om welke consultancy het gaat. Mark Ritson voorspelt dat strategische mediaplanning binnen vijf jaar grotendeels geautomatiseerd is. Daar kan ik me een boel bij voorstellen. Dus adviseurs kunnen het op dat vlak lastig krijgen.

Maar ik denk dat ook hier een onderscheid belangrijk is. Dingen die een organisatie routinematig doet, zoals mediaplanning, kunnen makkelijker door AI worden overgenomen dan zaken die niet zo vaak plaatsvinden.

Want bij terugkerend werk kan de organisatie voortborduren op dingen die in het verleden zijn gedaan. De AI kan met historische data worden gevoed en bij elke iteratie kan de organisatie leren: welke AI-output deugt en welke niet? Er is een feedbackloop, die stapsgewijs wordt geoptimaliseerd.

Veel ander strategisch werk is daarentegen eenmalig. Ik doe bijvoorbeeld veel merkpositioneringen. En een organisatie die z’n positionering vaker dan eens per vijf jaar onder de loep neemt, heeft waarschijnlijk een probleem. Dus op dit gebied hebben mijn meeste klanten weinig routine, weinig data uit het verleden en weinig mogelijkheden om met een feedbackloop te leren.

Dat is precies het domein waar een te groot vertrouwen op AI gevaarlijk kan zijn. In zo’n geval is er mijns inziens veel baat bij een deskundige van buiten, die al vaak met zo’n bijltje heeft gehakt en de valkuilen herkent.

Verder wordt AI getraind met expliciete kennis: alles wat is opgeschreven. Maar een goede strategie neemt ook impliciete kennis mee: de dynamiek op de werkvloer, de onuitgesproken frustratie van een klant tijdens een bakje koffie of iets dat onderhuids borrelt in de cultuur van een bedrijf. AI kan die informatie niet verzamelen, omdat die simpelweg niet in de trainingsdata staat.

AI leidt je vaak naar hetzelfde, vlakke midden.

Toch kunnen ook aan het gebruik van AI voor routinematige werkzaamheden nadelen zitten. Als een taak bij jouw bedrijf routinematig is, is dat waarschijnlijk bij andere organisaties ook zo. Dus bestaat hier waarschijnlijk ook een gestandaardiseerde AI-oplossing voor.

Het gevaar is daarmee dat ieder bedrijf dezelfde instrumenten gebruikt en dus met dezelfde oplossingen komt. AI trekt iedereen naar hetzelfde veilige, vlakke midden. Voormalig Dentsu-topman Mark Byrne heeft het dan ook over een “machine of averages“.

Terwijl merkstrategie vaak draait om zaken net anders te doen dan de rest. Zodat je opvalt en uniciteit creëert of slimmer met schaarse middelen omgaat. Een oplossing die gemeengoed wordt, biedt meestal geen strategisch voordeel meer.

Consultancy is meer dan het advies.

En dan is er nog iets belangrijks voor de vraag of AI consultants overbodig maakt. Advies gaat meestal niet alleen om advies. Dat wil zeggen, het gaat niet alleen om het zo snel mogelijk geven van het juiste antwoord. Belangrijk is ook het meenemen van een organisatie in de zoektocht.

Stel, ik kom binnen bij een klant. Die beschrijft een complex probleem, waarvan de uitkomst flinke consequenties heeft. Als ik binnen vijf minuten na binnenkomst het antwoord op tafel leg, is de kans dat dit wordt overgenomen klein. Niet zozeer omdat het fout is, maar omdat de klant er niet in is meegenomen. Die heeft er geen beleving bij en kan de juistheid van het advies lastig inschatten. Het bekende Not-invented-here“-probleem.

Goede consultancy draait voor een belangrijk deel ook om de regie van een proces: de vragen stellen, hypotheses op tafel leggen, tegenwerpingen uitlokken en mensen zelf de oplossing laten zien. Dus stel dat een AI inderdaad in een paar tellen hetzelfde advies geeft als een traject van zes weken: hoe groot is de kans dat een organisatie dit antwoord breed omarmt? Zeker met de rafelige rand in het achterhoofd.

Plus: bedrijven huren consultants ook in voor rugdekking. De verdediging “Maar het advies kwam van gerenommeerde experts” voelt net wat lekkerder dan “Grok zei dat ik dit moest doen”.

Ook is er de implementatie van een advies. Een strategie zonder uitvoering is een PDF. Uitvoering vereist mensen motiveren, beslissingen nemen onder onzekerheid, conflicten managen, prioriteiten kiezen en doorzetten. Dingen waar AI niet per se in uitblinkt. Plus: AI heeft geen gevoel voor de machtsverhoudingen in een organisatie.

Dat is dan ook de reden dat veel adviesbureaus, zoals Deloitte, EY en Accenture, zich steeds meer focussen op uitvoering. Naar verluidt groeien zij anderhalf keer zo snel als “denkers” zoals McKinsey, BCG en Bain.

Kortom: de koning leeft, leve de koning.

Uiteraard kan dit over een paar jaar een legendarisch lachwekkend artikel blijken te zijn, vergelijkbaar met de uitspraak dat er wereldwijd een markt is voor vijf computers. AI lijkt zich steeds sneller te ontwikkelen, dus de kans dat AI consultants ondanks al deze argumenten toch wegblaast, blijft aanwezig.

Toch bekruipt mij steeds vaker het gevoel dat er een asymptoot is: de haas rent naar de boom en halveert telkens de afstand tussen hem en de boom. Maar daardoor bereikt hij de boom nooit.

AI komt weliswaar steeds dichter bij menselijke experts. Maar het kan best nog een tijd duren voordat die lijn echt wordt doorkruist. Dit doet me denken aan de zelfrijdende auto, waarover ik in mijn boek schrijf. “Veel mensen dachten dat het invullen van de laatste 10% moeilijker zou zijn dan de eerste 90% (…) Maar niet dat het tienduizend keer moeilijker zou zijn.”

Ofwel, ook al is er een nieuwe koning opgestaan, dit betekent niet dat de oude koning is overleden. Daarom blijf ik voorlopig nog even mijn best doen. Wil je sparren over je merkstrategie, laat het me weten.

Waarom AI te vaak op een fatbike lijkt

Leestijd: 7 minuten

De AI-trein zoeft in volle vaart vooruit. Zelf voel ik me steeds vaker voor een keuze gesteld. Ga ik tegen de wind in fietsen? Of stap ik op de fatbike? En wat betekent dit dilemma voor het bouwen van merken?

Ga je voor “meer” of “beter”?

Allereerst mijn persoonlijke dilemma, kijkend naar mijn werk als merkstrateeg. Globaal zie ik voor mezelf drie scenario’s om met AI om te gaan. De eerste twee draaien om kwantiteit, de derde om kwaliteit.

Het eerste scenario: ik kan met AI sneller en daarmee goedkoper werken. Een merkstrategie die normaal anderhalve maand duurt en €10K kost, duurt met AI nog 3 weken en kost €5K. En binnenkort kan ik dat waarschijnlijk in twee dagen voor €995 doen.

Uiteindelijk beland ik dan in de hoek van SaaS: een online servicemodel, waarbij m’n klant met een paar drukken op de knop een antwoord op strategische vragen krijgt. In ruil voor een klein bedrag per maand.

Deze route draait om kwantiteit, om “meer”. Mijn output wordt niet zozeer beter, waarschijnlijk een stuk slechter. Maar ik gebruik AI om sneller en makkelijker te werken, waardoor ik meer kan doen en meer klanten kan bedienen.

Het tweede scenario is om te verbreden. In dat geval ben ik niet slechts een merkstrateeg. Ik word stapsgewijs een fullservicebureau, in m’n eentje. M’n medewerkers zijn geen mensen, maar AI-agents. Die agents kan ik gebruiken voor onderzoek, creatie, mediaplanning, productie, projectmanagement, et cetera.

Ook dit scenario draait om kwantiteit, want ook bij de fullservice-strategie probeer ik vooral om “meer” te doen. Maar ook hier wordt mijn output niet per se beter. Immers, de kans dat ik als eenling met AI beter onderzoek doe dan een gevestigd onderzoeksbureau of beter creatief werk maak dan een gerenommeerd bureau is, eerlijk is eerlijk, vrij klein. Dus blijft m’n enige argument richting de klant dat het sneller en goedkoper is om alles bij mij neer te leggen.

Deze twee “meer”-scenario’s lijken op de impact die de fatbike heeft op fietsen: gemak. Met AI kost het me minder moeite om meer strategie, meer communicatie, meer ontwerpen, et cetera, te maken. Ofwel, ik fiets makkelijker van A naar B en zal wat meer op de fiets doen. Maar uiteindelijk wordt m’n algehele fietstalent er niet beter van. Sterker nog, het tegenovergestelde is waarschijnlijk het geval.

Hoe word ik een betere mountainbiker?

Een derde scenario is dat van kwaliteit, dat van “beter”. Dat spreekt mij meer aan: hoe kan ik mezelf naar een hoger niveau brengen? Hoe kan ik als kleine specialist concurreren met internationale adviesbureaus door de kwaliteit van mijn werk fundamenteel te verbeteren?

Bijvoorbeeld doordat m’n strategie met AI beter is onderzocht, sterker is onderbouwd en beter is uitgewerkt. Kortom: hoe gebruik ik AI om een betere mountainbiker te worden? Een aanpak die het fietsen niet zozeer makkelijker maakt, maar waarmee ik nieuwe bergen kan overwinnen.

Dus ben ik de afgelopen maanden bezig om te verkennen hoe ik met AI beter aan scenarioplanning kan doen. Hoe ik synthetische klanten kan gebruiken om aannames te verifiëren. Hoe ik met AI betere prototypes kan maken om de strategie tot leven te brengen. Of hoe ik met AI neurosimulaties kan doen om die prototypes te evalueren.

Uiteraard is er ook hierbij een dunne lijn. Al deze AI-hulp maakt van mij geen onderzoeker, vormgever of hersenonderzoeker. Mijn doel is slechts om m’n strategie te verdiepen, niet om mezelf te verbreden.

Veel AI is als een fatbike.

Nu lijkt een scenario gebaseerd op “meer” meestal makkelijker te kiezen dan dat van “beter”. Neem twee mensen die met elkaar in discussie zijn. Met dezelfde argumenten in herhaling treden is voor hen makkelijker dan met een nieuwe, betere onderbouwing komen. Of kijk naar een liedjesschrijver. Tien keer eenzelfde soort liedje schrijven is makkelijker dan een compositie te maken die een stuk beter is.

Grofweg volgen veel AI-hypes dan ook routes waarbij kwantiteit centraal staat. Wat je vroeger een week kostte, duurt nu maar een uur. En dat waarvoor je vroeger twintig man nodig had, doe je nu met z’n tweeën.

Dit is mooi. Maar de fundamentele vraag is wel: worden dingen hiermee ook beter? Is een merkstrategie die door AI in tien minuten is ontwikkeld inhoudelijk beter dan eentje waar twee mensen een week over hebben gedaan?

Ik denk dat het antwoord vaak “NEEN” is. We krijgen vooral “meer”. Meer van dezelfde AI-autotune popmuziek, meer CV’s die op elkaar lijken en meer merken met dezelfde claims. Het opvallende zit ‘m er vooral in hoe makkelijk het is om die popmuziek, CV’s en merken te maken. Met de fatbike fiets je zonder dat je hard hoeft te trappen.

Fatbike AI maakt “redelijk” de vijand van “goed”.

Een consequentie van de fatbike is dan ook gemakzucht. Je wordt er lui van en daagt jezelf minder uit. Met de normale fiets tegen de wind intrappen is niet altijd leuk. Maar het is goed voor je, want het houdt je fit. Ook al heb je er niet altijd zin in.

AI helpt mij met van alles. Maar ik merk dat ik moet oppassen dat m’n hoofd niet in de fatbike-stand gaat. Want de meeste AI-output ziet er prima uit en m’n probleem lijkt daarmee meestal opgelost.

Maar net zoals “goed” de vijand van “geweldig” is, is in dit geval “redelijk” de vijand van “goed”. Dus als ik mezelf niet dwing tegen de wind in te fietsen, val ik stapsgewijs weg in luiheid, die zorgt voor middelmatigheid.

Stapsgewijs voelt die middelmatigheid steeds vertrouwder, zeker als ik ermee wegkom. En daarmee word ik nog gemakzuchtiger. Waarmee het uiteindelijk voor mijn klanten steeds vanzelfsprekender wordt om me te vervangen door een robot.

Ook AI-bedrijven blijken normale merken.

Nu zoom ik graag uit voor de volgende vraag: wat betekent het fatbike-scenario voor de wijze waarop merken worden gebouwd? Wat is de rol van een merk in een wereld van “meer, meer, meer”?

Wel, een kwantitatieve route maakt je merk belangrijker. Terwijl je misschien verwacht dat dit vooral bij een kwalitatieve route het geval is (een sterk merk voelt logisch bij een premiumpropositie).

De reden dat merken ook bij een kwantitatieve route een belangrijke rol spelen, is logisch als je bedenkt dat merken eigenlijk gewoon keuzehulpjes zijn. Ik vergelijk ze graag met vuistregels.

Als metafoor: als je voor een schap met vier potjes jam staat, kun je prima ontdekken welke optie de beste is voor jou. Je kunt rationeel vergelijken welke jam de beste combinatie van prijs en kwaliteit heeft.

Als er 100 meer-van-hetzelfde-varianten zijn, is dat een stuk lastiger. Dus val je sneller terug op vuistregels: dit merk ken je, dat andere niet. Ofwel, in dit geval heeft je keuze weinig met ratio te maken en van alles met je onderbuik.

Claude en OpenAI zijn potjes jam.

Grappig genoeg wordt dit klassieke principe ook bij AI-aanbieders zichtbaar. Toen ChatGPT op de markt kwam, was de keuze overzichtelijk. Of je schrijft je plan in MS Word, dat kost een dag. Of je doet het met ChatGPT, dat duurt een minuut. Het was de keuze tussen een klein potje jam en een hele grote, voor dezelfde prijs. Een merk is dan niet zo belangrijk, want voor deze afweging heb je geen mentaal keuzehulpje nodig.

Maar in de lijn van “meer” zijn er nu zoveel AI-aanbieders, met zoveel varianten en zoveel updates, dat het landschap onoverzichtelijk is geworden. Het AI-aanbod begint op een brei te lijken. Zodoende lijkt het keuzeproces steeds meer op het volle jamschap: het is lastig om met je ratio de juiste keuze te maken.

Dus je kiest Claude omdat je “er de laatste tijd veel mensen over hoort”. Of omdat je het prettig vindt dat Claude zich verzet tegen het militarisme van Trump. Of omdat je niet wilt dat je chats worden gebruikt voor reclame (zoals bij OpenAI mogelijk is geworden).

Dit laatste argument is grappig genoeg opgepikt door Scott Galloway. Hij vindt het slim dat Claude met een Super Bowl-reclame OpenAI op de hak neemt door zichzelf te positioneren als “wel reclamevrij”. Galloway vergelijkt deze zet zelfs met de legendarische 1984-reclame van Apple.

Uiteraard heeft Galloway daarmee een punt. Zo’n tactische prik kan Claude er net bovenuit doen springen in het “onoverzichtelijke jamschap”. Claude wordt zo de “goede” tussen een boel “kwade” en zo’n USP resoneert goed in de onderbuik.

De 180-graden van Scott Galloway.

Maar stiekem moet ik ook een beetje grinniken, omdat juist Galloway in zijn (goede) boek The Four de dood van het merk aankondigde. Zijn argument was onder meer: de opkomst van AI. Z’n stelling was dat AI de nieuwe keuzehulpjes zouden worden (hij noemde onder meer Amazons Alexa als voorbeeld). Zo zou AI je helpen met de keuze van de beste batterijen, waarmee de merken achter die batterijen overbodig werden.

In dit geval werkt het principe juist andersom. Ook innovatieve AI-spelers blijken met klassieke merkwetten te maken te krijgen. Die wetten draaien bijvoorbeeld om de kracht van bekendheid (vrijwel elke grote AI-speler doet inmiddels aan logoplakken door een Formule 1-team te sponsoren) en het belang van onderscheid (zoals in de bovenstaande uiting van Claude tijdens de Super Bowl). Ook OpenAI doet inmiddels aan oeroude reclame, zie hier en hier.

Waarom fatbike AI je merk zwakker maakt.

Ook interessant voor merkbouwers: het fatbike-scenario zorgt niet alleen voor “meer”, maar ook voor “vaker”. Je stapt vaker op de fiets als er eentje voor de deur staat waarmee je amper hoeft te trappen, dan als je weet dat je met de mountainbike de berg op moet. Dus met “fatbike AI” kies je vaker voor een nieuwe strategie, ontwikkel je vaker een nieuw merk, ontwikkel je vaker een nieuwe campagne, et cetera.

Maar, hoe gek dit misschien klinkt: vernieuwen is precies wat je niet moet doen als je een merk in de markt zet. Want consistentie bouwt herkenning. Herkenning bouwt vertrouwen. En vertrouwen bouwt groei.

Lees maar het System1/IPA-onderzoek “Compound Creativity”. Dit analyseerde 4.000+ campagnes over vijf jaar en concludeert dat de meest consistente merken twee keer zoveel winstgroei rapporteren als inconsistente merken.

Ik vergelijk merkbouwen vaak met diëten: de principes zijn simpel, maar probeer ze maar eens een lange periode vol te houden. Een belangrijk deel van de kunst is de discipline. Discipline zorgt voor consistentie.

Fatbike AI verleidt je vaak juist tot het tegenovergestelde: eindeloze variatie, constante verversing en dus telkens wisselende signalen. Ofwel, telkens weer een andere eetgewoonte in plaats van een consistent dieet.

Ga je voor redelijk of geweldig?

Kortom, linksom of rechtsom is AI belangrijk voor m’n werk. En voor jouw merk. Maar de fundamentele vraag die erachter zit: ga je in de gemakstand? Of gebruik je AI om jezelf juist extra uit te dagen? Wordt AI je stagiaire die voor jou het werk doet en je lekker achterover laat leunen? Of wordt AI je strenge instructeur die je het vuur aan de schenen legt om een hogere berg op te fietsen? Ga je voor fatbike of mountainbike?

Ik maak me klaar voor een flinke rit omhoog. Lekker tegen de wind in.

AI en merkstrategie: wat betekent dit voor B2B?

Leestijd: 6 minuten

Recentelijk schreef ik twee artikelen met dezelfde insteek: hoe beïnvloedt AI je merkstrategie? De ene ging over AI en merkzichtbaarheid, de andere over waarom AI je merk over het hoofd ziet.

Daarin gebruikte ik voorbeelden van koptelefoons, Gen Z en online winkels. Dat leidde tot een logische vraag: “Wij zijn een B2B-bedrijf met een complexer oriëntatieproces. Gelden deze inzichten ook voor ons?”

Het korte antwoord: JA. De meeste inzichten gelden ook voor B2B. Maar de dynamiek is soms net even anders. Sterker, voor B2B heeft de opkomst van AI in bepaalde gevallen nog meer impact. Daarom duik ik deze keer specifiek in B2B: wat betekent AI voor de strategie van zakelijke merken? Moeten daar de alarmbellen afgaan?

De shortlist staat al vast voordat je wordt gebeld.

Uit onderzoek van Forrester blijkt dat 92% van de B2B-inkopers hun aankooptraject begint met minstens één leverancier in gedachten. En 6Sense ontdekte dat in 95% van de gevallen de uiteindelijke winnaar al op de shortlist van dag één staat. Deze lijst wordt grotendeels bepaald voordat er met de verkoopafdeling van toeleveranciers contact wordt opgenomen.

OK, dat is op zich niets nieuws. Maar wat interessant is, is hoe die namen op die shortlist komen. Dit gebeurt vaker met AI. Als voorbeeld: 6Sense zegt dat 94% van de B2B-kopers AI inzet tijdens hun aankooptraject. AI speelt vaker een rol in onderzoek, vergelijking en het opstellen van de shortlist.

Ook interessant: B2B-inkopers besteden volgens Gartner slechts 17% van hun aankooptraject aan gesprekken met mogelijke leveranciers (dit rapport is de oorspronkelijke bron). En bij het vergelijken van verschillende opties besteden ze slechts 5 tot 6% van hun tijd aan contact met een bedrijf. De rest van hun tijd doen ze aan zelfstandig onderzoek. En dat doen ze dus steeds meer met de hulp van AI.

Als je dit alles optelt, kom je tot dezelfde conclusie als de voorgaande artikelen: als jouw merk niet opduikt in de antwoorden van AI, dan kan dit een significant nadeel zijn. Bijvoorbeeld omdat de kans kleiner wordt dat je op de shortlist komt. Dus ja, een klein alarmbelletje is op z’n plaats.

Veel B2B-merken zijn slecht zichtbaar voor AI.

Hoe hard moet dat belletje afgaan? Wel, MarTech publiceerde onlangs een eigen studie die daar iets over zegt. Daarin werden meer dan 1.000 prompts geanalyseerd, met daarin 29 B2B-merken, verdeeld over vier AI’s (ChatGPT, Perplexity, Grok en Google). De resultaten waren ontnuchterend: slechts 21% van deze merken verscheen in meer dan een kwart van de AI-antwoorden. Een derde verscheen in minder dan 5%.

Let op: dit kwam niet omdat deze bedrijven grijze muizen waren. In twee derde van de gevallen had het topmerk in een B2B-categorie een zichtbaarheid van minder dan 25%. Bijna een op de vijf (17%) van de bekendste merken kwam in minder dan 10% van de AI-reacties terug. Dit sluit aan op een conclusie uit mijn vorige artikel: de merken die AI aanbeveelt blijken bijzonder willekeurig te zijn.

Kortom: de kans dat jouw B2B-merk de AI-aandacht krijgt die het verdient, gezien het marktaandeel of de staat van dienst, lijkt niet zo groot. Alleen gaat het nu niet om een klant die een koptelefoon van 50 euro koopt, maar om aankoopbeslissingen van miljoenen euro’s.

AI gaat ook de bemiddeling bij inkopen doen.

In mijn vorige artikel schreef ik dat AI verschuift van adviseur naar inkoper. Deze ontwikkeling is ook zichtbaar bij B2B. Gartner voorspelt dat er tegen 2028 tijdens 90%(!) van de B2B-inkooptrajecten door AI-agents wordt bemiddeld. Dat betekent dat AI een actieve vinger in de pap heeft bij meer dan 15 biljoen dollar aan B2B-bestedingen. Interessant: dat is een stuk meer dan de 3 tot 5 biljoen dollar die AI aan consumenteninkopen lijkt te gaan doen.

En deze ontwikkeling is al zichtbaar, zo stelde Forrester eind vorig jaar. Toen gaf 61% van de mensen, die betrokken waren bij inkoopbeslissingen, aan dat hun organisatie AI gaat gebruiken om de inkoopafdeling te ondersteunen. Het gaat dan om zaken als leveranciersvergelijking, contractanalyse en het beoordelen van specificaties. De onderzoekers verwachtten dat dit jaar minstens één op de vijf B2B-verkopers te maken krijgt met AI-gestuurde inkopersagenten die tegenaanbiedingen doen.

B2B-kopers vertrouwen AI niet blindelings.

Maar, ook deze munt heeft een keerzijde. B2B-kopers zijn kritischer dan consumenten. Uit Forrester’s State of Business Buying 2026 blijkt dat AI vaak wordt gebruikt voor de voorbereiding van een aankoop. Toch zegt slechts 36% van de kopers meer vertrouwen te hebben in hun beslissing als deze ondersteund wordt door AI. Haaks daartegenover staat een groep van 20%. Die zegt juist minder vertrouwen te hebben, omdat ze de feedback van AI onnauwkeurig vinden.

Wat gebeurt er vervolgens? Inkopers gaan de beweringen van hun robots checken. Bij experts, analisten, collega’s of leveranciers. Ofwel, AI reikt hen weliswaar de eerste indruk aan, maar menselijke feedback geeft vaak de doorslag.

Experts worden vaak waardevoller, niet minder.

Interessant is dat Forrester hierbij een schijnbaar tegengestelde beweging voorspelt. In 2025 zag 30% van de B2B-inkopers AI als een zinvolle hulp tijdens de beslissingsfase. Slechts 17% zei hetzelfde over contact met productexperts. Maar de verwachting is dat die verhouding gaat kantelen: naarmate AI meer informatie levert, gaan kopers juist meer die experts opzoeken om die analyses tegen het licht te houden.

Ook dit sluit aan op wat ik in mijn vorige artikel schreef: hoe hard AI ook gaat, de mens blijft een belangrijke sleutel. Gartner voorspelt zelfs dat tegen 2030 75% van de B2B-kopers de voorkeur geeft aan een verkooptraject met menselijk contact in plaats van AI.

Kortom: AI kan menselijke expertise vervangen, maar die tegelijkertijd ook belangrijker maken.

LinkedIn is een belangrijke bron voor AI.

In mijn vorige artikel schreef ik dat AI veel gebruik maakt van bronnen als Wikipedia en Reddit. In een commentaar werd ik erop gewezen dat LinkedIn ook een populaire bron is voor AI. En dat wordt bevestigd door een analyse van 325.000 prompts door SEMrush.

Daaruit blijkt dat LinkedIn de op een na meest geciteerde bron is in AI-antwoorden (Reddit staat op nummer 1). Ofwel, thought-leadership op LinkedIn blijft belangrijk voor jouw B2B-merk. Enerzijds omdat je zo menselijke experts bereikt. Anderzijds omdat je de kans vergroot dat AI je suggereert als kandidaat voor op de shortlist. Dus zorg ervoor dat je experts zichtbaar zijn met hun vakkennis.

Dus wat verschilt er voor B2B? En wat niet?

Als laatste, als fijn overzicht, nog even puntsgewijs de verschillen tussen de invloed die AI heeft op de merkstrategie van B2C en B2B-merken. Hierbij neem ik de constateringen uit de vorige artikelen als basis.

De oriëntatie is bij B2B inderdaad complexer, maar het principe is hetzelfde. B2B-kopers kopen geen koptelefoons op basis van een AI-lijstje. Maar ze gebruiken AI wel om hun longlist samen te stellen, leveranciers te vergelijken en specificaties te beoordelen. Dus ook hier geldt: als je niet op deze lijst opduikt, fiets je steeds meer tegen de wind in.

Smallere categorieën zijn stabieler. Eerder schreef ik dat hoe smaller de categorie is waarin je opereert, hoe consistenter de merken zijn die AI oplepelt. Dat is goed nieuws voor B2B-niches: als er maar vijf aanbieders zijn van innovatieve biotechnologie voor de farmaceutische industrie, is de kans groter dat AI jou noemt. Mits je vindbaar bent.

Vertrouwen weegt nog zwaarder. B2B-kopers valideren AI-antwoorden vaak bij experts en gelijkgestemden. Dat betekent dat je merk niet alleen moet opduiken in AI-antwoorden. Het moet ook bij een publiek van vlees en bloed op het netvlies blijven.

Thought-leadership is een belangrijk wapen. In B2C kijkt AI vooral naar productrecensies en externe media om een indruk te krijgen van jouw merk. In B2B komt daar een laag bij: de kennis en zichtbaarheid van je experts. Publiceer eigen onderzoek, laat je specialisten schrijven op LinkedIn en zorg voor aandacht in de vakpers. Zo kun je meer grip krijgen op de wijze waarop AI jou positioneert.

Het een-pot-nat-gevaar geldt ook voor B2B. B2B-bedrijven hebben in de regel een minder uitgesproken merkbeleid dan consumentenmerken. Daardoor lijken ze vaak best op elkaar. Zo moest ik recentelijk voor een innovatieve SaaS-speler naar de concurrentie kijken. Vrijwel alle merken zagen hetzelfde eruit. Ze hadden een cleane WordPress-site met een schreefloos font, flat design, vergelijkbare claims en dezelfde gedragstriggers.

Nu komt daarbij dat veel B2B-bedrijven AI gebruiken om whitepapers, blogposts en cases te schrijven. Als ieder B2B-merk dat doet, met dezelfde AI, klinkt iedereen hetzelfde. En dat is een probleem, want AI beloont juist onderscheidende, betrouwbare bronnen, ook in de B2B-markt.

De conclusie van het verhaal.

Ofwel, de moraal van dit verhaal is niet heel anders dan bij B2C. Als jouw merk niet terugkomt in de lijst die een inkoper met AI samenstelt, begin je de race met een achterstand.

Investeer dus in een heldere positionering, die zowel robots als mensen begrijpen. Vergroot de zichtbaarheid van je experts en publiceer eigen onderzoek. Zorg voor consistente en gestructureerde informatie die op allerlei online plekken terugkomt. En blijf ervoor zorgen dat je merk met een eigen stem boven het maaiveld uitsteekt.

Wil je weten hoe je jouw B2B-merk sterker kunt maken? Laat het me weten. Ik help je graag.

Waarom AI jouw merk over het hoofd ziet

Leestijd: 7 minuten

Stel je voor: je hebt jarenlang gewerkt aan de positionering van je merk. Dan blijkt dat AI je merk aan miljoenen mensen omschrijft als, oei, iets totaal anders.

Dat is precies wat drankenconcern Pernod Ricard overkwam. Het bedrijf ontdekte via onderzoek met bureau Jellyfish dat AI-modellen zijn merken regelmatig verkeerd classificeerden. Ballantine’s, een betaalbare Schotse whisky voor de brede markt, werd door een populair AI-model neergezet als een prestigeproduct. Andere merkinformatie was onvolledig of simpelweg onjuist.

Gen Z vraagt AI om merkaanbevelingen.

Ondertussen gebruikt een groeiend deel van de klanten AI bij aankoopbeslissingen. Uit YouGov-onderzoek blijkt dat twee derde van de 18- tot 24-jarigen AI-modellen inzet voor aanbevelingen rond merken, producten en diensten. Bij 25- tot 34-jarigen is dat ruim de helft. En ongeveer de helft van Gen Z verwacht dat AI hen naar het beste merk leidt.

Dus deze mensen skippen een zoektocht met Google en vragen ChatGPT simpelweg: “Welke whisky past bij mijn smaakprofiel?” Of: “Wat is een goede koptelefoon voor op reis?” En het antwoord dat ze krijgen, wordt bepaald door hoe AI jouw merk begrijpt. Niet door wat jij als marketeer graag wil vertellen.

Je merkverhaal wordt geschreven door derden.

AI-modellen baseren hun kennis over jouw merk op twee dingen: hun trainingsdata, alles wat ze eerder hebben gelezen, en de actuele bronnen die ze raadplegen. In beide gevallen zijn dat vooral bronnen van anderen, niet die van jou: reviews, nieuwsartikelen, vakpublicaties, Wikipedia, Reddit, webwinkels, enzovoort.

In aanvullend onderzoek werden AI-agents ingezet om producten te vergelijken en aan te bevelen. De conclusie was ontnuchterend: merkwebsites werden vooral gezien als plekken om te kopen, niet als gezaghebbende bron van informatie. De autoriteitssignalen kwamen van derden: recensiesites, specialistische media en fora.

Ofwel, je merkverhaal, je positionering, je concurrentievoordeel, het wordt geschreven door mensen die niet voor je werken. En vervolgens op schaal herhaald door AI-modellen.

Het probleem van ‘AI sameness’.

Het wordt nog interessanter. Terwijl merken grip proberen te krijgen op hoe AI hen omschrijft, laten veel daarvan tegelijkertijd hun eigen content ook door AI produceren. Dat leidt tot een ander probleem: alles gaat op elkaar lijken.

Want als allerlei aanbieders dezelfde AI-tools gebruiken om teksten, beelden en campagnes te maken, wordt hun inhoud inwisselbaar. Merken die daar op leunen besparen misschien geld, maar verdwijnen in een ‘Sea Of Sameness’.

Dat is een gevaarlijke combinatie. Aan de ene kant verliezen merken de controle over hoe AI hen beschrijft. Aan de andere kant produceren ze zelf steeds minder onderscheidende content. Het resultaat: ze worden inwisselbaar, zowel in de ogen van AI als van de klant.

Het lijkt op de dynamiek van performancemarketing, waar ik vaak aandacht aan besteed: als iedereen dezelfde data en dezelfde gereedschappen gebruikt om dezelfde doelgroepen te bereiken met dezelfde triggers, verdwijnt het concurrentievoordeel. Dan blijft alleen nog concurrentie op prijs over: nog meer korting, nog harder duwen. En dat is precies de valkuil waar Nike intrapte.

AI gaat ook de aankoop doen.

Maar, sorry, ik ben nog niet klaar. Want AI-modellen verschuiven stap voor stap van adviseur naar inkoper.

PwC beschrijft in Harvard Business Review hoe klanten steeds vaker een AI-agent niet alleen vragen om producten te zoeken en te vergelijken, maar ook om deze direct te kopen. Ze hebben geen zin om te scrollen op websites en geven liever een simpele opdracht: “Vind voor mij een handgemaakt cadeau onder de €50 dat morgen geleverd wordt.” Vaak is wel een voorwaarde dat ze hun geld terugkrijgen als de keuze van AI hen niet bevalt.

Dat betekent dat een AI-agent straks een deel van de beslissing neemt. En die agent kiest niet op basis van je mooiste campagne. Die kiest op basis van gestructureerde productdata, recensies, beschikbaarheid en prijs. Dus als je productinformatie niet goed leesbaar is voor machines, besta je simpelweg niet in het AI-aankoopproces.

McKinsey voorspelt zelfs dat AI-agents tegen 2030 wereldwijd voor 3 tot 5 biljoen dollar aan consumenteninkopen kunnen regelen. De populaire platforms bouwen dan ook hard aan dergelijke initiatieven. Google lanceerde begin 2026 het Universal Commerce Protocol, een oplossing die AI-assistenten en winkelsystemen makkelijker op elkaar laat aansluiten. Google beschrijft dit als een open standaard voor agentic commerce.

En OpenAI zette eind 2025 een volgende stap met Instant Checkout. In de eerste uitrol ging het om aankopen bij onder meer Etsy-verkopers in de VS, waarna “meer dan een miljoen” Shopify-verkopers naar verluidt gingen volgen.

Hoe kun je hierop inspelen?

De eerste stap is om te weten hoe AI jouw merk omschrijft. Vraag het aan ChatGPT, Claude, Gemini. Stel dezelfde vragen die je klanten stellen. De antwoorden kunnen verrassend zijn. En soms verontrustend. Plus, zoals ik vorige week schreef: de antwoorden zijn telkens weer anders.

De tweede stap is ervoor te zorgen dat je merk goed vertegenwoordigd is in bronnen die AI-modellen vertrouwen. Dat zijn dus niet je eigen advertenties. Dat zijn onafhankelijke media, recensiesites, vakpublicaties, Wikipedia en platforms als Reddit. Als marketeer weet je inmiddels dat mentale en fysieke beschikbaarheid de sleutel zijn voor groei. In het AI-tijdperk geldt iets soortgelijks: hoe vaker er betrouwbaar over je wordt geschreven, hoe groter de kans dat je terugkomt in AI-antwoorden. Ik noem het maar even geschreven beschikbaarheid.

Waarom mensen juist belangrijk blijven.

De derde stap, misschien wel de belangrijkste, is investeren in wat je merk onderscheidend maakt. Juist nu AI dreigt alles gelijk te trekken, worden eigenheid, originaliteit en merkkarakter waardevoller. Eigenheid is schaars in een wereld vol, bleh, AI-gegenereerde eenheidsworst. Want ook in het AI-tijdperk geldt: je merk moet opvallen om opgepikt te worden. Dat werkt via twee routes.

Route A: opvallende merken krijgen meer verdiende media. Er wordt meer over spraakmakers geschreven en gesproken en ze worden vaker opgezocht. En dat is precies het materiaal waar AI-modellen op leunen: hoe meer onafhankelijke bronnen je merk aandacht geven, hoe groter je zichtbaarheid in AI-antwoorden.

Route B: AI wordt weliswaar belangrijker, maar de mens blijft een sleutelrol spelen. Stel dat een AI een kort lijstje presenteert met drie opties voor een koptelefoon. Twee daarvan zijn onbekende merken, waar je niets mee hebt. Maar de derde is een merk dat vertrouwd aanvoelt, omdat je er al van hebt gehoord. Die derde maakt daarmee een grote kans om te winnen. Niet omdat de AI dat merk beter rangschikt, maar omdat het menselijk brein gevoelig is voor herkenning.

Dat oeroude mechanisme blijft aanwezig in ons brein en verandert niet door AI. Sterker, het kan juist zwaarder gaan meewegen als de drie opties slechts in een kort antwoord door een chatbot worden samengevat. Juist in een omgeving waar context ontbreekt, is het belang van herkenbare handvatten groter.

Verder leren AI-agents van de voorkeuren van hun gebruiker. Het geheugen van ChatGPT of Claude wordt immers steeds beter, waardoor ze jou steeds beter leren kennen. Stel, jij stelt regelmatig vragen over Apple, Adidas of Rituals: “Hoe los ik dit probleem met m’n Mac op?”, “Zijn deze Adidas-schoenen ook geschikt om op hard te lopen?”, “Hoe lang is dit product van Rituals houdbaar?” Dan ontstaat er een patroon dat AI oppikt. Dat kan invloed hebben op toekomstige aanbevelingen, omdat de agent zo goed mogelijk op jouw wensen probeert in te spelen.

Bovendien kun jij die voorkeur ook expliciet meegeven: “Zoek goede hardloopschoenen en check in ieder geval Hoka en ASICS.” Op dat moment krijgt AI een kader. En dat kader wordt gevormd door bekendheid en voorkeur, precies de dingen waar merkbouwen al decennia om draait.

Ofwel, de winnende strategie in het AI-tijdperk draait nu niet ineens alleen nog maar om het optimaliseren voor algoritmes. Investeren in de mens blijft belangrijk. Zodat jij het bekende gezicht bent in een lijst vol onbekende opties die met korte tekstjes worden geïntroduceerd.

Hoe AI bepaalt welke merken het aanbeveelt.

Maar hoe selecteren AI-modellen hun bronnen? En hoe zorg je dat je daar goed in naar voren komt?

Traditionele SEO draait om een plek in een lijst van tien blauwe links. Bij GEO (Generative Engine Optimization) draait het erom of je wordt geciteerd in het antwoord dat AI geeft. En dat antwoord verwijst vaak maar naar een handvol opties (tussen twee en zeven per antwoord, afhankelijk van de vraag en het systeem).

Het selectiemechanisme is ook anders. Google beloont onder meer verwijzingen en technische SEO. Bij generatieve systemen gaat het veel meer om iets dat je citeerwaardigheid kunt noemen: hoe makkelijk is jouw tekst te gebruiken als betrouwbare bouwsteen in een antwoord?

In de paper GEO: Generative Engine Optimization laten onderzoekers zien dat het toevoegen van citaten, relevante citaten en statistieken je zichtbaarheid in generatieve antwoorden flink kan verhogen. In hun metingen zagen ze effecten tot ongeveer 40%.

Andere interessante lessen rond geschreven beschikbaarheid:

Publiceer eigen onderzoek en data. Origineel onderzoek is een sterk signaal voor AI. Denk aan een eigen benchmark, een rapport met unieke data of een jaarlijks overzicht. Deze geven AI-systemen een reden om jou te citeren in plaats van een concurrent.

Zorg voor consistentie over alle platforms. AI-modellen vergelijken informatie uit meerdere bronnen. Als je merk op je website iets anders claimt dan op Trustpilot, in je persberichten of op Wikipedia, dan daalt het vertrouwen. Consistentie zorgt voor geloofwaardigheid.

Maak je content extracteerbaar. Generatieve systemen zoeken naar passages die ze direct als antwoord kunnen gebruiken. Dus: geef het antwoord vroeg in je content en wees concreet. Noem cijfers waarmee je claims kunt onderbouwen. Vermijd verkooptaal en schrijf alsof je een collega iets uitlegt.

Investeer in digitale PR. Verse vermeldingen in gezaghebbende bronnen helpen AI om je te vinden. Niet als een eenmalige actie, maar als een proces waarin je doorlopend investeert.

Zorg daarnaast dat je productdata gestructureerd, compleet en consistent is: informatie over productspecificaties, prijzen, voorraad, bezorging en retourbeleid. Want agents kunnen alleen dingen aanbevelen die ze kunnen begrijpen. Het gebeurt nu al dat producten door AI worden overgeslagen als informatie ontbreekt of niet eenduidig is (!).

Kortom: veel verandert, veel toch ook niet.

Lang verhaal kort: je merkpositionering wordt niet alleen bepaald door wat jij communiceert, maar door het totaalbeeld van alles wat er over je te vinden is. Als er te weinig onafhankelijke, consistente informatie over je merk wordt gevonden, kom je minder terug in de wereld van AI.

Tegelijkertijd geldt: als je een eigen geluid laat horen, is de kans groter dat anderen je oppikken. Een merk als Tony’s Chocolonely, met een duidelijke stem, wordt waarschijnlijk eerder aangehaald in media dan een merk als Verkade, dat een stuk minder uitgesproken profiel heeft. Daarmee is de kans dat Tony’s wordt opgepikt door AI weer groter dan bij Verkade.

En hoewel dit alles kan overweldigen, is veel ervan uiteindelijk ook weer niet zo nieuw. Merken draaien al decennia om onderbouwing, consistentie en relevantie. En wat anderen over je zeggen was altijd al belangrijker dan wat jij over jezelf beweerde. Zie de bekende quote: “Je merk is wat mensen over je zeggen als jij er niet bent.” Het grote verschil is dat je klant nu niet meer de enige doelgroep is. Er luistert ook een model mee.

Zoals ik eerder schreef: AI kan alleen excelleren als jij een goede regisseur bent. Die les geldt nu dubbel. Want je moet niet alleen regisseren wat AI voor je doet, je moet ook regisseren hoe AI over je praat.

De merken die hier het best op inspelen zijn niet alleen de merken met de slimste AI-gereedschappen. Het zijn ook de merken met de helderste strategie, de sterkste positionering en het meest consistente verhaal. Precies datgene waar merkbouwen al decennia om draait.

Wil je weten hoe AI jouw merk omschrijft en wat je eraan kunt doen? Laat het me weten. Ik help je graag.